Inleiding
In het eerste en tweede deel van deze blogreeks stond de beëindiging van onbenoemde duurovereenkomsten centraal. Naast onbenoemde duurovereenkomsten bestaan er ook bijzondere duurovereenkomsten. Dit zijn overeenkomsten met een specifieke regeling in de wet. Voor dit soort overeenkomsten gelden andere regels ten aanzien van de beëindiging. Voorbeelden van bijzondere overeenkomsten zijn (i) de overeenkomst van opdracht en (ii) de agentuurovereenkomst.
In deze blog wordt ingegaan op de beëindigingsmogelijkheden van deze twee bijzondere overeenkomsten.
Beëindiging van de overeenkomst van opdracht
De overeenkomst van opdracht vindt haar wettelijke regeling in artikel 7:400 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) en verder. De overeenkomst van opdracht wordt in artikel 7:400 lid 1 BW als volgt gedefinieerd:
“De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.”
Een overeenkomst van opdracht kan op meerdere manieren worden beëindigd. Opmerking verdient dat ik hieronder alleen in ga op de speciale regeling die afwijkt van de algemene regel. De algemene regelgeving ten aanzien van de beëindiging (zoals is behandeld in de vorige blog) is dus van toepassing op de overeenkomst van opdracht, tenzij hieronder iets anders wordt bepaald.
Opzegging van de overeenkomst van opdracht
Artikel 7:408 lid 1 BW regelt de opzegging van de overeenkomst van opdracht. Uitgangspunt is dat de opdrachtgever de overeenkomst altijd kan opzeggen.
De opdrachtgever kan de overeenkomst van opdracht dus altijd opzeggen. De opdrachtnemer die de overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, kan daarentegen, behoudens gewichtige redenen, de overeenkomst slechts opzeggen, indien zij voor onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging eindigt. Dit betekent dat de opdrachtgever op grond van de wet op ieder moment kan opzeggen, terwijl de opdrachtnemer daartoe slechts in beperkte gevallen bevoegd is.
Opmerking verdient dat van bovenstaande regelgeving niet kan worden afgeweken als de opdrachtgever een consument is. Ten aanzien van professionele opdrachtgevers en/of opdrachtnemers kunnen partijen contractueel andere afspraken maken. Zo kan worden overeengekomen dat een professionele opdrachtgever niet gerechtigd is de overeenkomst van opdracht tussentijds te beëindigen.
Vergoedingen na het einde van de overeenkomst van opdracht
In het geval een overeenkomst van opdracht eerder eindigt dan partijen bij het aangaan van de overeenkomst hadden voorzien of afgesproken, zal de opdrachtnemer vaak aanspraak willen maken op een vergoeding. De wet geeft hiervoor slechts een beperkt aantal mogelijkheden.
Na het einde van de overeenkomst kan de opdrachtnemer recht hebben op vergoeding van gemaakte onkosten. De opdrachtgever moet deze onkosten vergoeden als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:406 lid 1 BW. Alleen onkosten die niet al in het afgesproken loon zijn verwerkt, komen voor vergoeding in aanmerking. Ook kosten die zijn gemaakt ter voorbereiding op toekomstige werkzaamheden kunnen worden vergoed, mits het redelijk was om deze kosten te maken.
Eindigt de overeenkomst voordat de opdracht is afgerond of voordat de afgesproken looptijd is verstreken, en is het loon afhankelijk van het afronden van de opdracht of van het verstrijken van die tijd, dan heeft de opdrachtnemer op grond van artikel 7:411 BW recht op een redelijk deel van het loon. Alleen in bijzondere gevallen heeft de opdrachtnemer recht op het volledige loon, namelijk wanneer het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is te wijten en dit, gezien alle omstandigheden, redelijk is. Van deze wettelijke regeling mag, in het geval van professionele partijen, bij overeenkomst worden afgeweken.
Beëindiging van de agentuurovereenkomst
In artikel 7:428 lid 1 BW is de definitie van de agentuurovereenkomst opgenomen:
“De agentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een bepaalde of een onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn.”
Ten aanzien van de agentuurovereenkomst stelt de wet een aantal nadere regels. Ook hier geldt dat in deze blog alleen wordt ingegaan op de speciale regeling die afwijkt van de algemene regelgeving.
Opzegging van de agentuurovereenkomst
De agentuurovereenkomst kan op grond van artikel 7:437 lid 1 BW door beide partijen worden opgezegd indien (i) de overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd of (ii) de overeenkomst geldt voor bepaalde tijd met de mogelijkheid tot tussentijdse opzegging. Wél dient standaard een opzegtermijn in acht te worden genomen. Indien partijen geen afspraken hebben gemaakt over de opzegtermijn, moeten de volgende opzegtermijnen in acht worden genomen:
- een opzegtermijn van vier maanden voor overeenkomsten met een looptijd van maximaal drie jaar;
- een opzegtermijn van vijf maanden als de looptijd van de overeenkomst tussen de drie en zes jaar is;
- een opzegtermijn van zes maanden als de looptijd van de overeenkomst langer dan zes jaar is.
Het is mogelijk om contractueel andere opzegtermijnen overeen te komen, mits daarbij niet van bepaalde wettelijke vereisten wordt afgeweken. Zo gelden ook in dat geval minimale opzegtermijnen. De termijn van opzegging kan niet korter zijn dan een maand in het eerste jaar van de overeenkomst, twee maanden in het tweede jaar en drie maanden in de volgende jaren. Als partijen langere termijnen overeenkomen, mogen deze voor de principaal niet korter zijn dan voor de handelsagent.
Ontbinding van de agentuurovereenkomst
Beide partijen zijn bevoegd op grond van artikel 7:440 lid 1 BW de kantonrechter te verzoeken om de agentuurovereenkomst te ontbinden op grond van:
- omstandigheden die een dringende reden opleveren in de zin van artikel 7:439 lid 2 BW. Dringende redenen zijn omstandigheden van zodanige aard dat van de partij die de overeenkomst doet eindigen, redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in stand te laten;
- een verandering in de omstandigheden van een dusdanige aard dat de billijkheid eist dat de overeenkomt gelijk of na korte tijd eindigt.
De algemene ontbinding van artikel 6:265 BW is ook op de agentuurovereenkomst van toepassing. Wel zal in geval van een tekortkoming aan dezelfde vereisten moeten worden voldaan als eerder uiteengezet bij artikel 7:440 lid 1 BW.
Schadevergoeding en klantenvergoeding
Als een agentuurovereenkomst (i) onregelmatig wordt opgezegd (als de opzeggende partij zich niet heeft gehouden aan de regels omtrent opzegging), (ii) op grond van dringende reden waarvoor de andere partij verwijt treft wordt opgezegd of (iii) door middel van een rechterlijke ontbinding, is de opzeggende partij – meestal de principaal – schadeplichtig. Deze schadevergoeding is gelijk aan de beloning over de tijd dat de agentuurovereenkomst bij regelmatige beëindiging had horen voort te duren.
Naast het recht om schadevergoeding te vorderen, heeft de handelsagent aan het einde van de agentuurovereenkomst -uitzonderingen daargelaten- recht op een vergoeding. Dit wordt een klantenvergoeding of goodwillvergoeding genoemd. De klantenvergoeding is geen schadevergoeding.
Het recht op een klantenvergoeding bestaat op grond van artikel 7:442 lid 1 BW als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
- de handelsagent heeft aan de principaal nieuwe klanten aangebracht of de handelsagent heeft de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk uitgebreid en de daaruit voortvloeiende overeenkomsten leveren voor de principaal nog aanzienlijke voordelen op;
- de betaling van deze vergoeding is billijk, gelet op alle omstandigheden van het geval en in het bijzonder op de verloren provisie met deze klanten.
De klantenvergoeding kan niet hoger zijn dan de beloning van één jaar gelet op het gemiddelde van de vijf voorgaande jaren of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan.
De handelsagent moet binnen een jaar na het einde van de overeenkomst om de vergoeding verzoeken.
Verder is de vergoeding niet verschuldigd, indien de overeenkomst is beëindigd:
- door de principaal onder omstandigheden die de handelsagent schadeplichtig maken;
- door de handelsagent zelf, tenzij de grond voor beëindiging aan de principaal kan worden toegerekend of de beëindiging het gevolg is van ziekte of pensioen van de handelsagent;
- door de handelsagent die, overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt.
Tot slot
Wilt u meer weten over de beëindiging van duurovereenkomsten of wilt u uw overeenkomst(en) laten beoordelen of opstellen? Neem dan vrijblijvend contact op met Isabel van der Arend.