Ga naar de inhoud

In onze maandelijkse blog bespreken wij recente jurisprudentie naar aanleiding van de Didam arresten I en II. Deze maand lichten wij twee uitspraken uit die in december 2025 zijn gepubliceerd.

Eerdere blogs over de Didam-jurisprudentie vindt u eenvoudig door de zoekterm ‘Didam’ in de zoekbalk op onze website in te typen. Heeft u vragen over de gevolgen van de Didam-arresten voor overeenkomsten tussen overheden en marktpartijen of hulp nodig bij het opstellen van een transparante verkoopprocedure? Neem dan contact op met Diede van der Heijden of Jurgen Vermeulen.

Uitspraak 1: de Staat hoeft hoger beroep niet af te wachten

Feiten en procedureverloop

De Staat was voornemens om extra grond te verhuren aan Fastned ten behoeve van de uitbreiding van een bestaand laadstation op verzorgingsplaats De Aalscholver. In de Didam-publicatie werd Fastned aangemerkt als enige serieuze gegadigde, op basis van vooraf bekendgemaakte objectieve, toetsbare en redelijke criteria. Andere exploitanten, waaronder Circle K, maakten bezwaar tegen het voornemen. In kort geding oordeelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden‑Nederland op 7 maart 2025 dat Fastned terecht als enige serieuze gegadigde was aangemerkt. Dat oordeel werd in hoger beroep bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden bij arrest van 27 mei 2025. Over voornoemde uitspraken schreven wij eerder onze blog van maart 2025 en onze blog van mei 2025

In de daaropvolgende bodemprocedure deed de rechtbank Midden‑Nederland op 24 december 2025 uitspraak. Ook in deze procedure ving Circle K opnieuw bot. De rechtbank sluit inhoudelijk aan bij de eerdere oordelen in kort geding en hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

Interessant aan deze bodemuitspraak is met name het oordeel over het moment waarop de Staat tot het uitvoeren van de huurovereenkomst mocht overgaan. Zij oordeelt in rechtsoverweging 4.34 dat er geen rechtsregel is die het de Staat – na het bieden van rechtsbescherming tegen het Voornemen en het afwachten van het vonnis in eerste aanleg – ook nog zou verplichten te wachten op de uitkomst van een aangekondigd hoger beroep in kort geding (en de onderhavige bodemprocedure).

Belang voor de praktijk

De rechtbank oordeelt dus dat de Staat de uitkomst van een hoger beroep of bodemprocedure niet hoeft af te wachten. Deze uitspraak bevestigt dat overheden niet tot stilzitten zijn veroordeeld. Het instellen of aankondigen van vervolgprocedures door afgewezen gegadigden betekent niet dat een overheid de uitvoering van haar overeenkomst moet opschorten.

Uitspraak 2: geen onteigening nodig

In een kort geding tussen Becedo Vastgoed en de gemeente Doesburg heeft de voorzieningenrechter op 1 december 2025 geoordeeld dat de gemeente de Didam-regels niet schendt door zonder openbare selectieprocedure bouwgrond te verkopen aan Ekoma Onroerend Goed B.V.

Feiten

De zaak draaide om de herontwikkeling van het centrum van Beinum. De gemeente wil daar een nieuw “Hart van Beinum” realiseren met een supermarkt, maatschappelijke voorzieningen en woningen. Voor de uitvoering van deze gebiedsontwikkeling is de medewerking nodig van Ekoma, eigenaar van de huidige DekaMarkt en een strategisch gelegen perceel. Ekoma is alleen bereid dat perceel aan de gemeente te verkopen indien zij in ruil daarvoor bouwgrond verwerft voor een nieuwe supermarkt.

Op 21 juli 2025 publiceerde de gemeente haar voornemen tot grondruil met Ekoma. Daarbij stelde zij dat Ekoma op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria als enige serieuze gegadigde kon worden aangemerkt. Becedo Vastgoed, actief in de supermarktsector, verzette zich daartegen en eiste een openbare selectieprocedure.

Oordeel van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter overweegt dat:

  • De gemeenteraad duidelijke ruimtelijke kaders heeft vastgesteld voor de herontwikkeling;
  • Zonder de medewerking van Ekoma het gemeentelijk plan niet kan worden uitgevoerd;
  • Ekoma beschikt over de benodigde gronden, en alleen bereid is deze te verkopen in ruil voor de bouwgrond.

Becedo stelt dat alternatieve plannen denkbaar zijn, maar de voorzieningenrechter benadrukt de beleidsvrijheid van de gemeente bij het bepalen van haar ruimtelijke strategie.

Becedo betoogt dat de gemeente had moeten onderzoeken of Ekoma ook bereid zou zijn geweest haar grondpositie in het te herontwikkelen gebied op te geven zónder daarvoor wederom (bouw)grond in eigendom te krijgen om de DekaMarkt te verplaatsen. De voorzieningenrechter oordeelt, dat dit geen reëel alternatief is waar de gemeente redelijkerwijs onderzoek naar had moeten doen. Gelet op de bestaande grondpositie van Ekoma en het plan van de gemeente om dit perceel van haar te kopen om het centrum van Beinum te herontwikkelen, mocht Ekoma in alle redelijkheid het in eigendom verwerven van een ander perceel van de gemeente als voorwaarde stellen voor het verkopen van haar huidige perceel. Voor zover Becedo c.s. meent dat de gemeente de mogelijkheid van onteigening van Ekoma had moeten onderzoeken, geldt dat de gemeente niet op grond van de Didam-jurisprudentie gehouden is om de mogelijkheid van onteigening te onderzoeken alvorens over te gaan tot de voorgenomen transactie, nog daargelaten dat de gemeente nu juist gehouden is om een minnelijke oplossing te beproeven alvorens tot onteigening kan worden overgegaan. Dat heeft de gemeente in het onderhavige geval ook succesvol gedaan.

Ook het verweer dat sprake zou zijn van verboden staatssteun werd verworpen: de grondprijs is residueel getaxeerd en voldoende onderbouwd.

Belang voor de praktijk

Deze uitspraak bevestigt dat onderhandse grondruil onder het Didam-regime toelaatbaar is, mits de gemeente onderbouwt dat sprake is van één serieuze gegadigde. De gemeente mag daarbij haar beleidsruimte benutten voor integrale gebiedsontwikkeling en hoeft niet eerst de onteigeningsroute te verkennen.