In februari zijn opnieuw enkele uitspraken verschenen die richting geven aan de toepassing van de Didam arresten I en II in de praktijk. In deze maandelijkse blog bespreken wij twee Didam-uitspraken en signaleren we er nog één.
Eerdere blogs over de Didam-jurisprudentie vindt u eenvoudig door de zoekterm ‘Didam’ in de zoekbalk op onze website in te typen. Heeft u vragen over de gevolgen van de Didam-arresten voor overeenkomsten tussen overheden en marktpartijen of hulp nodig bij het opstellen van een transparante verkoopprocedure? Neem dan contact op met Diede van der Heijden of Jurgen Vermeulen.
Uitspraak 1: terecht uitgesloten van deelname
De eerste uitspraak is op 23 februari 2026 gepubliceerd en betreft een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 december 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:3513). In deze zaak oordeelt het hof dat de gemeente Voerendaal bij de verkoop van drie natuurgebieden selectiecriteria mocht hanteren waarbij de koper zélf moet voldoen aan de gestelde eisen van onder meer certificering, kennis en ervaring. De particuliere inschrijver die deze eisen via een derde wilde invullen, wordt terecht uitgesloten.
Feiten
De gemeente Voerendaal wil drie natuurgebieden – waaronder een Natura 2000-gebied – verkopen omdat het beheer en onderhoud voor haar te zwaar drukken. In het Gemeenteblad publiceert zij een bekendmaking voor een openbare verkoopprocedure.
Daarin stelt de gemeente minimumeisen aan geïnteresseerde kopers. Zo moet de kopende partij onder meer:
- gecertificeerd natuurbeheerder zijn (volgens het Programma van eisen Certificering SNL 2023);
- beschikken over voldoende kennis en ervaring met natuurbeheer;
- referenties overleggen van succesvol beheer van natuurgebieden;
- een plan van aanpak indienen.
Een particuliere gegadigde schrijft zich in en beroept zich op samenwerking met Bosgroep Zuid Nederland voor certificering, kennis en referenties. De gemeente wijst de inschrijving af, omdat de inschrijver niet zelf aan de minimumeisen voldoet. Eiser vordert de gemeente te verbieden de percelen te verkopen en leveren aan deden en te bevelen de percelen aan hem te verkopen en leveren. Ter onderbouwing van haar vordering stelt eiser dat de gemeente onder meer in strijd handelt met het Didam-arrest.
Oordeel van het hof
Het Hof gaat niet mee in het betoog van de eiser en wijst de vorderingen af. De gemeente heeft volgens het Hof terecht de inschrijving van eiser afgewezen omdat hij niet zelf aan de minimumeisen voor gecertificeerd natuurbeheer voldeed. De formulering van de criteria, in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat eiser behoorde te begrijpen dat hij zelf aan de criteria moest voldoen. De selectiecriteria zijn tevens objectief, toetsbaar en redelijk, en sluiten aan bij het doel van duurzaam natuurbeheer. Het Hof oordeelde voorts dat de minimumeis dat de inschrijver zelf moet voldoen aan de certificering legitiem was gelet op het belang dat de gemeente hecht aan duurzame instandhouding van de natuurgebieden. Het sluit aan bij het eerder door de gemeenteraad genomen besluit om de bossen en natuurgebieden over te dragen aan een partij met aantoonbare kennis en kunde van het duurzaam in stand houden van deze gebieden.
Het zo concreet en ondubbelzinnig mogelijk formuleren van selectiecriteria loont. Het kan discussies voorkomen en verkleint het risico op dergelijke Didam-geschillen en procedures. Verder mag de eis worden gesteld dat een koper zelf voldoet aan de selectiecriteria en dit niet met behulp van een derde invult.
Uitspraak 2: onrechtmatig handelen leidt tot verwijzing naar schadestaat
De tweede uitspraak is op 17 februari 2026 gepubliceerd en betreft een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:446). In hoger beroep staat onder meer het tussenvonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 september 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:4487) centraal. Het eindvonnis is niet gepubliceerd.
Feiten
De gemeente Dronten startte een gebiedsproces in het kader van het provinciale programma Nieuwe Natuur. Naast de realisatie van circa 50 hectare nieuwe natuur zette de gemeente ook in op agrarische structuurverbetering en recreatieve ontwikkeling. De gemeente nodigde grondeigenaren en grondgebruikers in het gebied uit om via inventarisatiegesprekken ideeën aan te dragen voor de ontwikkeling van het gebied. Uiteindelijk ging de gemeente slechts met een beperkt aantal agrariërs verder in het vervolgtraject. Met drie deelnemers sloot de gemeente uitvoeringsovereenkomsten voor de realisatie en het beheer van nieuwe natuur, waarbij onder meer grondruil en provinciale subsidies een rol spelen.
Een groep andere agrariërs stelt dat zij ten onrechte buiten het vervolgtraject is gebleven. Volgens hen hanteerde de gemeente geen duidelijke selectieprocedure en paste zij geen vooraf kenbare selectiecriteria toe. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat de gemeente tegenover een afgebakende groep betrokken grondgebruikers inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld door het gelijkheidsbeginsel te schenden. In het eindvonnis verwees de rechtbank de zaak naar de schadestaatprocedure, waarbij de schade moet worden beoordeeld langs de lijnen van kansschade. De gemeente stelde hoger beroep in en voert onder meer verweer tegen (i) de toepasselijkheid van de Didam-regels in dit type gebiedsproces, (ii) het oordeel dat sprake is van onrechtmatig handelen en (iii) de verwijzing naar de schadestaatprocedure.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt dat het Didam-arrest niet direct op de Gemeente in haar rol bij het integrale gebiedsproces van toepassing is, omdat het gebiedsproces geen betrekking heeft op de verkoop van gemeentelijke onroerende zaken en de relevante grondtransacties buiten de gemeente om plaatsvinden. Dat neemt volgens het hof echter niet weg dat de achterliggende beginselen uit het Didam-arrest wel van betekenis zijn. Gelet op de rol van de gemeente bij het faciliteren van grondtransacties, het beschikbaar stellen van middelen en het selecteren van partijen voor de uitvoering van het project, blijft zij gebonden aan het gelijkheidsbeginsel. Dit brengt mee dat de gemeente vooraf objectieve, toetsbare en redelijke selectiecriteria moet formuleren voor de selectie van gegadigden.
Het Hof is van oordeel dat de Gemeente, door voorafgaand aan de selectiebeslissing geen objectieve, toetsbare en redelijke criteria te formuleren op grond waarop zij deelnemers aan het project heeft geselecteerd, in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Doordat de Gemeente zich niet heeft gehouden aan haar eigen toezegging dat te doen heeft zij ook het vertrouwensbeginsel geschonden. Omdat zij daarbij niet kan uitleggen waarom de keuze op de uiteindelijke contractanten is gevallen om verdere besprekingen te voeren over deelname aan het project en niet met andere betrokkenen, heeft zij óók het transparantiebeginsel niet nageleefd.
De verwijzing naar de schadestaatprocedure blijft in stand. In de schadestaatprocedure moeten de agrariërs eerst aannemelijk maken dat zij – bij tijdige bekendheid met de criteria – een plan zouden hebben ingediend dat aan de projectrandvoorwaarden voldoet en dat een reële kans op selectie heeft. Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van schade geldt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. De schade wordt vastgesteld door een vergelijking te maken van de toestand zoals deze in werkelijkheid is (het feitelijke scenario) met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden (het hypothetische scenario). Het hypothetische scenario is per definitie geen werkelijke situatie maar is steeds een resultaat van inschattingen van onzekerheden, waarbij de inschatting zo concreet mogelijk wordt ingekleurd. Daarbij moet de rechter het meest waarschijnlijke scenario te volgen. Als er meerdere scenario’s zijn die elkaar in waarschijnlijkheid niet veel ontlopen, dan kan de schade begroot worden aan de hand van het leerstuk van het verlies van een kans. Het Hof oordeelt dat de rechtbank in het kader van de schadebegroting de hele exercitie van het bepalen van het meest waarschijnlijke scenario terecht naar een afzonderlijke schadestaatprocedure heeft verwezen.
Belang voor de praktijk
Deze uitspraak laat zien dat het moment van mededinging van belang is. Ook buiten de klassieke setting van gemeentelijke grondverkoop, dus bijvoorbeeld bij de selectie van samenwerkings- of uitvoeringspartijen in een gebiedsproces, kan de gemeente gehouden zijn om vooraf objectieve, toetsbare en redelijke selectiecriteria te formuleren en toe te passen. Daarnaast moet een passende mate van openbaarheid worden betracht over de selectieprocedure.
Signalering: Didamregels alleen van toepassing bij overheid als aanbieder
In de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:2180) stond de vraag centraal of de Didam-regels ook van toepassing zijn wanneer een overheidslichaam zelf een onroerende zaak inkoopt, in dit geval door een pand te huren.
Het ging in deze zaak om het Omgevingshuis dat namens een relatie een deel van een hotel in Amsterdam te huur aanbood aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) voor de huisvesting van asielzoekers. Het COA huurde dit gedeelte uiteindelijk niet via Omgevingshuis, maar via een andere partij. Omgevingshuis stelt dat het COA onrechtmatig heeft gehandeld door haar aanbod zonder selectieprocedure terzijde te leggen en in plaats daarvan met die andere partij te contracteren. Volgens Omgevingshuis had het COA een selectieprocedure moeten organiseren of ten minste objectieve selectiecriteria moeten formuleren, mede op basis van een analoge toepassing van het Didam-arrest.
Volgens de rechtbank ziet de Didam-jurisprudentie echter alleen op situaties waarin een overheidslichaam de aanbiedende partij is, bijvoorbeeld wanneer de overheid een onroerende zaak verkoopt of verhuurt. De rechtbank benadrukt dat in deze zaak sprake is van de spiegelbeeldige situatie: het COA is niet de aanbiedende, maar juist de vragende partij. Voor dergelijke situaties bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding om de Didam-jurisprudentie analoog toe te passen. Deze situatie is namelijk al gereguleerd door de Aanbestedingswet, ook al leidde dat in dit geval niet tot een aanbestedingsplicht.