Iedere maand bespreken wij recente jurisprudentie naar aanleiding van de Didam arresten I en II. Eerdere bijdragen vindt u door op onze website de zoekterm ‘Didam’ te gebruiken. Heeft u vragen over de gevolgen van de Didam-arresten voor overeenkomsten tussen overheden en marktpartijen of wilt u ondersteuning bij het opstellen van een transparante selectieprocedure? Neem dan contact op met Diede van der Heijden of Jurgen Vermeulen .
Deze maand lichten wij één uitspraak uit die op 26 januari 2026 is gepubliceerd. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland oordeelt in die uitspraak dat de gemeente Dantumadiel een strook grond mag verkopen aan twee direct aangrenzende bewoners zonder openbare selectieprocedure. De vordering van een andere omwonende die zich gepasseerd voelt, wordt afgewezen.
Feiten
In het kader van nieuwbouwproject Prikkebosk wil de gemeente Dantumadiel een strook grond verkopen aan de bewoners van woningen op nummers 14 en 16 als tuinuitbreiding. De mogelijkheid tot tuinuitbreiding is verankerd in het stedenbouwkundig plan. De betreffende grond grenst direct aan voornoemde twee woningen, maar niet aan het perceel van eiser op nummer 18. Tussen zijn woning en het perceel bevindt zich bovendien een elzensingel.
De gemeente publiceert haar voorgenomen verkoop en vermeldt in de publicatie een reactietermijn van 20 dagen, maar laat de keuze te reageren door of contact op te nemen met de gemeente of een kort geding te starten. Eiser laat binnen de reactietermijn via zijn adviseur weten vragen te hebben en kondigt een mogelijk kort geding aan. Na een onbevredigend antwoord van de gemeente na de reactietermijn, vordert eiser in rechte dat de gemeente wordt verboden tot levering over te gaan zonder openbare selectieprocedure. Intussen waren de koopovereenkomsten al gesloten.
Oordeel van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter behandelt eerst het spoedeisend belang en het verstrijken van de klachttermijn. Zij oordeelt dat het feit dat de gemeente inmiddels koopovereenkomsten heeft gesloten met de eigenaren van de percelen van de nummers 14 en 16 aan spoedeisendheid niet in de weg staat. De gemeente stelt weliswaar dat eiser geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen omdat hij de in de publicatie genoemde klachttermijn heeft laten verstrijken, maar daarmee miskent de gemeente dat zij in de publicatie potentiële gegadigden een termijn van 20 dagen heeft gegeven om hetzij te reageren, hetzij een kort geding te starten. Dat het de bedoeling was dat binnen de termijn van 20 dagen een kort geding moest worden gestart, zoals de gemeente heeft betoogd, kan haar niet baten. Wanneer dat de bedoeling was, dan had zij dat expliciet in de publicatie moeten vermelden.
Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter dat de gemeente de bewoners van nummers 14 en 16 in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigden. Hun percelen grenzen direct aan de strook grond, waardoor tuinuitbreiding past binnen het gemeentelijk beleid. Het perceel van eiser ligt niet in dezelfde ‘landschappelijke kamer’ en wordt door een singel afgescheiden.
Dat eiser in het verleden belangstelling heeft getoond voor meerdere omliggende percelen maakt hem geen serieuze gegadigde voor deze specifieke strook. Zijn belang bij verwerving blijft bovendien onvoldoende concreet. De gemeente heeft daarnaast terecht aangegeven dat het perceel bij afwijzing van verkoop aan de buren niet opengesteld zal worden voor anderen, maar in eigendom behouden blijft. De vordering wordt afgewezen.
Belang voor de praktijk
Deze uitspraak bevestigt dat een gemeente onder de Didam-uitzondering gronden aan direct aangrenzende eigenaren mag verkopen zonder openbare procedure, als sprake is van objectieve, toetsbare én redelijke criteria, zoals beleid over tuinuitbreiding.
Daarnaast onderstreept de voorzieningenrechter dat uit de publicatie voldoende duidelijk moet blijken welke stappen een belangstellende moet nemen. Als de gemeente meerdere routes openlaat (zoals ‘contact opnemen’ of een ‘kort geding starten’), kan zij zich later niet beroepen op het verstrijken van de termijn voor rechtsbescherming.