Ga naar de inhoud

In onze maandelijkse blog bespreken wij recente jurisprudentie naar aanleiding van de Didam arresten I en II . Deze maand lichten wij vier uitspraken uit die in juli 2025 zijn gepubliceerd.

Eerdere blogs over de Didam-jurisprudentie vindt u eenvoudig door de zoekterm ‘Didam’ in de zoekbalk op onze website in te typen. Heeft u vragen over de gevolgen van de Didam-arresten voor overeenkomsten tussen overheden en marktpartijen of hulp nodig bij het opstellen van een transparante verkoopprocedure? Neem dan contact op met Diede van der Heijden of Jurgen Vermeulen.

Uitspraak 1: Didam-regels gelden ook voor begrotingssubsidies

In een uitspraak van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3399) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat gemeenten en provincies bij het verstrekken van een subsidie mededingingsruimte moeten bieden bij het verdelen van schaarse subsidiemiddelen. Ook als het gaat om een begrotingssubsidie. Dat voor een begrotingssubsidie niet wettelijk hoeft te worden geregeld voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt en dat een vertegenwoordigend lichaam, zoals de gemeenteraad of provinciale staten, de begroting vaststelt, betekent niet dat het bestuursorgaan bij de verstrekking van begrotingssubsidies geen gelijke kansen hoeft te bieden.

Feiten

De gemeente Peel en Maas had aan Stichting Vorkmeer een subsidie verleend van ruim € 265.000 per jaar voor de jaren 2024 tot en met 2026. De subsidie was bedoeld voor de inzet van combinatiefunctionarissen op het gebied van sport, cultuur en leefstijl. Vorkmeer was sinds 2019 reeds de uitvoerende partij binnen de gemeente. Concurrent Negen B.V., die soortgelijke activiteiten verricht voor andere gemeenten, had aangegeven interesse te hebben in de uitvoering van deze taken voor de gemeente Peel en Maas. Zij stelde dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om mee te dingen naar de subsidiegelden. Het college van B&W was het daar niet mee eens, omdat de subsidie die is verleend aan Stichting Vorkmeer paste binnen het streven van de gemeente naar duurzaam partnerschap.

Oordeel van de Afdeling

Anders dan bij subsidies die zijn verleend op basis van de wet, waarbij een beperking van mededingingsruimte in die wet moet zijn geregeld, kan de verstrekker van een begrotingssubsidie de ruimte begrenzen om mee te dingen, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er op grond van objectievetoetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde is voor de subsidie, kan een begrotingssubsidie aan deze serieuze gegadigde worden verstrekt. Voor het bieden van mededingingsruimte moet de subsidieverstrekker zijn voornemen dan wel minimaal acht weken van tevoren bekendmaken, zodat iedereen daarvan kennis kan nemen. Daarbij moet de subsidieverstrekker deugdelijk motiveren waarom er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie op grond van deze criteria.

Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het college van B&W van Peel en Maas niet deugdelijk gemotiveerd waarom Stichting Vorkmeer op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria de enige serieuze gegadigde is. Het college van B&W moet dan ook opnieuw op de subsidieaanvraag van Stichting Vorkmeer beslissen en kan daarvoor een tenderprocedure opzetten of de subsidie aan de enige serieuze gegadigde verlenen.

Belang voor de praktijk

Uit deze uitspraak blijkt dat de Didam-regels niet beperkt zijn tot vastgoedtransacties, maar eveneens toepassing vinden bij de verlening van begrotingssubsidies. Voor de praktijk van gebiedsontwikkeling kan dit betekenen dat ook bij het verstrekken van (bouw)subsidies aan private partijen de vereisten van gelijke kansen en een transparante selectieprocedure in acht genomen moeten worden. Overheden kunnen zich dan ook niet zonder meer beroepen op beleidsvrijheid of continuïteit van bestaande samenwerkingen: de subsidieverlening zal – indien sprake is van schaarste – vooraf kenbaar, objectief gemotiveerd en toegankelijk voor derden moeten zijn.

Uitspraak 2: “de meest geschikte partij”

Op 30 juli 2025 werd de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2024 gepubliceerd (ECLI:NL:RBDHA:2024:23748), waarin de voorzieningenrechter het Hoogheemraadschap van Rijnland verbood om over te gaan tot verkoop van de loswal en het aangrenzend perceel water aan de bestaande gebruiker, een jachtwerf op Kaag-eiland.

Feiten

In deze zaak stond de vraag centraal of de wijze waarop het Hoogheemraadschap invulling gaf aan de vereiste motivering voor een één-op-één verkoop voldeed.

In de publicatie van 29 augustus 2024 werd de jachtwerf aangeduid als “de meest geschikte partij”. Omwonenden hadden naar aanleiding van de publicatie een kort geding tegen het Hoogheemraadschap aangespannen. Pas ter zitting motiveerde het Hoogheemraadschap waarom deze partij volgens haar als enige serieuze gegadigde kwalificeerde. Die nadere toelichting – waaronder het bestaan van een huurovereenkomst tot 2049 en het belang van de loswal voor de bereikbaarheid van Kaag-eiland – had echter onderdeel moeten uitmaken van de oorspronkelijke publicatie. Motiveringen achteraf voldoen niet aan het transparantievereiste.

Daarnaast was het te verkopen perceel in de publicatie onvoldoende afgebakend. De aankondiging sprak van een deel van een kadastraal perceel, zonder duidelijke kaart of nadere omschrijving. Dat de gearceerde gebieden op de bijlagen bij de huurovereenkomst en het eerdere gebruiksbesluit bovendien van elkaar verschilden, versterkte volgens de voorzieningenrechter de onduidelijkheid voor derden.

Het vonnis laat ruimte voor een nieuwe publicatie, waarin dient te worden voorzien in een deugdelijke motivering en een nauwkeurige afbakening van het object.

Uitspraak 3: beslag op kavel blijft gehandhaafd

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigt op 15 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4382) het vonnis waarin de voorzieningenrechter het leveringsbeslag van Von Gahlen op een kavel in Zevenaar handhaaft.

Feiten

In deze zaak ging het om een kavel die door de gemeente na een openbare uitgifteprocedure is verkocht aan Tiemex. Von Gahlen, een partij die al sinds 2020 met de gemeente onderhandelde over de aankoop van deze kavel en ook deelnam aan de uitgifteprocedure, stelde zich op het standpunt dat reeds vóór de uitgifteprocedure een koopovereenkomst tot stand was gekomen tussen haar en de gemeente, althans dat de gemeente verplicht was de onderhandelingen daartoe voort te zetten.

Oordeel van het hof

Het hof oordeelde dat Von Gahlen met deze stellingen voldoende aannemelijk maakte dat zij mogelijk een (toekomstig) recht op levering had, waarmee het conservatoir beslag op de kavel voldoet aan de eisen van artikel 730 Rv. Het feit dat Tiemex als koper uit de uitgifteprocedure naar voren is gekomen, maakt dit niet anders. Van ondeugdelijkheid van de aanspraken van Von Gahlen is niet gebleken. Daarbij speelt mee dat uit correspondentie van de gemeente blijkt dat – ondanks de opstart van de uitgifteprocedure – mogelijk nog gesprekken met Von Gahlen werden gevoerd.

Een belangenafweging valt in het voordeel van Von Gahlen uit: opheffing van het beslag zou immers de weg vrijmaken voor levering aan Tiemex en daarmee een onomkeerbare situatie scheppen. Van belang is verder dat Tiemex tijdig bekend was met de juridische procedure en de overeenkomst toch tekende.

Interessant aan deze zaak is verder dat de gemeente zich geconfronteerd ziet met het gegeven dat tegen een eerder verbod om uitvoering te geven aan de koopovereenkomst geen hoger beroep is ingesteld, waardoor dit verbod naar het oordeel van het gerechtshof onherroepelijk is geworden.

Uitspraak 4: staat mag één-op-één verhuren aan Fastnet

Het gerechtshof Den Haag bekrachtigt op 22 juli 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1390 ) de uitspraak in eerste aanleg in kort geding van 29 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:4022 ) in een geschil tussen Shell en de Staat over de voorgenomen verhuur van extra grond op een verzorgingsplaats aan Fastned. Shell meende dat de Staat in strijd handelde met het gelijkheidsbeginsel door Fastned zonder openbare selectieprocedure extra perceel te gunnen. Het hof ging daar niet in mee.

Feiten

Fastned exploiteert al sinds 2017 een e-laadstation op de betreffende verzorgingsplaats. Voor de uitbreiding van het station van twee naar acht laadplekken had zij reeds een onherroepelijke Wbr-vergunning verkregen. De voorgenomen huurovereenkomst had betrekking op precies datzelfde perceel, aansluitend op het bestaande huurperceel van Fastned, en was gekoppeld aan de looptijd van de vergunning.

De Staat had haar voornemen tot verhuur gepubliceerd en daarin uiteengezet dat Fastned als enige gegadigde in aanmerking kwam, vanwege het vereiste van een Wbr-vergunning. Andere partijen konden zich melden, mits zij eveneens aan dit vereiste voldeden. Shell deed dat, maar beschikte niet over een Wbr-vergunning voor de uitbreiding en kon daarom volgens de Staat niet als serieuze gegadigde worden aangemerkt.

Oordeel van het hof

Het hof overwoog dat Shell had kunnen opkomen tegen de uitbreiding van de vergunning in de bestuursrechtelijke procedure, maar dat niet had gedaan. Die vergunning had inmiddels formele rechtskracht, waardoor de civiele rechter daar niet opnieuw inhoudelijk over mocht oordelen.

Daarnaast stelde het hof vast dat de Staat terecht heeft aangenomen dat Fastned de enige serieuze gegadigde is. Gelet op de objectieve, toetsbare en redelijke voorwaarde – het beschikken over een Wbr-vergunning – was het niet nodig een openbare selectieprocedure te organiseren. Er was immers geen sprake van gelijke gevallen: Fastned had wél een vergunning, Shell niet. Ook het feit dat sprake was van een uitbreiding van bestaande voorzieningen en geen volledige nieuwvestiging, woog mee in het oordeel.

In deze uitspraak wordt bevestigd dat bestuursrechtelijke criteria (het hebben van een vergunning) gesteld worden. Het is aan partijen om tegen een al dan niet verleende vergunning op te komen.