Ga naar de inhoud

In juni zijn opnieuw uitspraken verschenen die richting geven aan de toepassing van de Didam arresten I  en II  in de praktijk. In deze maandelijkse blog bespreken wij er daar twee van.

Eerdere blogs over de Didam-jurisprudentie vindt u eenvoudig door de zoekterm ‘Didam’ in de zoekbalk op onze website in te typen. Heeft u vragen over de gevolgen van de Didam-arresten voor overeenkomsten tussen overheden en marktpartijen of hulp nodig bij het opstellen van een transparante verkoopprocedure? Neem dan contact op met Iris van Willegen of Jurgen Vermeulen.

Uitspraak 1: enige serieuze gegadigde?

De eerste uitspraak betreft een kort geding uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:16994). De zaak gaat over een geschil tussen eisers (die bedrijven exploiteren naast het perceel van de gemeente) en de gemeente Krimpenerwaard als gedaagde partij.

Feiten

Het geschil gaat om een voorgenomen verkoop van een perceel grond door de gemeente aan de Veiligheidsregio ten behoeve van de huisvesting van de brandweer. De gemeente had een publicatie uitgebracht, waarin zij het voornemen tot verkoop aan de Veiligheidsregio toelichtte.

Eisers hebben in de afgelopen jaren meerdere malen hun interesse in de koop van het perceel aan de gemeente kenbaar gemaakt. Zij verzochten de gemeente de beoogde verkoop te staken en hen als serieuze gegadigden mee te laten dingen naar de aankoop van het perceel. De gemeente wees dat verzoek af.

Eisers stelden dat de gemeente niet heeft gesteld of gemotiveerd aangetoond dat zij op objectieve, redelijke en toetsbare criteria heeft kunnen besluiten dat de Veiligheidsregio als enige serieuze gegadigde in aanmerking kwam voor de aankoop van het perceel. Eisers stelden dat de gemeente had nagelaten om de gehanteerde criteria te noemen om de koper te selecteren en dat het onduidelijk was hoe die criteria zijn toegepast en waarom eisers daar niet aan zouden voldoen. Ook stelden zij de beoogde verkoopprijs niet marktconform was.

Eisers vorderen in kort geding de gemeente te verbieden het perceel aan de Veiligheidsregio (of enige andere partij buiten een selectieprocedure) te verkopen zonder eerst een openbare selectieprocedure te doorlopen.

Oordeel van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eisers af. De Gemeente mocht de Veiligheidsregio als enige serieuze gegadigde aanmerken met verwijzing naar het Didam-arrest.

De reden voor het voornemen van de Gemeente om het perceel aan de Veiligheidsregio te verkopen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter objectief, toetsbaar en redelijk en deze blijkt ook voldoende uit de publicaties van de Gemeente. Daarin staat immers duidelijk vermeld dat de Gemeente wenst dat de brandweer op het perceel wordt gehuisvest. De Gemeente heeft daarbij ook toegelicht dat de huidige locatie van de brandweer verouderd is en dat kostbare renovatie nodig is, zodat verhuizing naar het perceel een duurzame en efficiënte oplossing biedt.

Alhoewel de toelichting in de publicaties beperkt is en hierin niet expliciet wordt gesproken over de gehanteerde criteria, is deze naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel duidelijk. Ook gelet op de aard van de verkoop en de wens om het perceel te benutten ten behoeve van de publieke taak. De Veiligheidsregio is de enige partij die kan voldoen aan het criterium dat de koper op het perceel een brandweerkazerne moet exploiteren.

Belang voor de praktijk

Deze uitspraak bevestigt hetgeen in het Didam-arresten is bepaald; namelijk dat een gemeente goed en toetsbaar dient uit te leggen dat en waarom er maar één serieuze gegadigde is. De ratio van de Didam-regels is dat (derde) belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om na te gaan waarom het overheidslichaam van plan is de onroerende zaken aan één specifieke gegadigde te verkopen in plaats van een openbare selectieprocedure te organiseren en om tegen dat voornemen op te kunnen komen als die redenen volgens die derden de toets der kritiek van het Didam-arrest niet kunnen doorstaan. Die gelegenheid is hier volgens de voorzieningenrechter geboden.

Uitspraak 2: belang van duidelijke en redelijke selectiecriteria

De tweede uitspraak betreft een uitspraak in kort geding van de rechtbank Noord-Nederland van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBNNE:2026:2451). De zaak gaat over een geschil tussen Victoria Terschelling Coöperatie U.A. als eiser en de gemeente Terschelling als gedaagde partij.

Feiten

Op 10 oktober 2025 is de gemeente een openbare verkoopprocedure gestart voor de verkoop van de voormalige campus Victoria en de bijbehorende gebouwen en gronden op Terschelling.

De Coöperatie vordert in dit kort geding om toegelaten te worden tot de tweede fase van die verkoopprocedure. De Coöperatie legt hieraan ten grondslag dat de gemeente het gestelde criterium “dat in de inschrijving duidelijk moet worden aangegeven met welke erkende onderwijspartij wordt samengewerkt en op welke manier dit gebeurt” te beperkt heeft uitgelegd. Hierdoor handelt de gemeente volgens de Coöperatie in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met het vereiste dat selectiecriteria objectief, toetsbaar en redelijk moeten zijn.

Oordeel van de rechter

De voorzieningenrechter oordeelt dat de gemeente dit selectiecriterium inderdaad onduidelijk heeft geformuleerd in het verkoopdocument. Met name is de rechter het eens met de Coöperatie dat de termijn voor inschrijving van 20 dagen veel te kort is om én een erkende onderwijspartij te vinden om mee samen te werken én met die onderwijsinstelling tot overeenstemming te komen op welke manier zou worden samengewerkt.  Dit is derhalve een onredelijke eis. Omdat de bekendmaking en het verkoopdocument strijdig zijn met het transparantiebeginsel en mogelijk met het vereiste van redelijke selectiecriteria kan de verkoopprocedure dus niet worden voortgezet op basis van deze documenten. De vordering van de Coöperatie tot toelating tot de tweede fase van de verkoopprocedure kan echter ook niet worden toegewezen omdat die juist wel uitgaat van voortzetting van de verkoopprocedure.

Belang voor de praktijk

In deze uitspraak komt duidelijk naar voren dat het belangrijk is om duidelijke selectiecriteria te formuleren en vooral dat er – afhankelijk van de gehanteerde selectiecriteria – ook voldoende tijd moet worden geboden om aan die criteria te voldoen.