null

Bestuurlijke boete? Procederen is helaas nodig, maar helpt wel!

Dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd bij bijvoorbeeld een arbeidsongeval (Arbo-wetgeving), tewerkstelling van vreemdelingen (Wav), of indien sprake is (geweest) van een datalek, zal menig ondernemer niet zijn ontgaan. Het instrument is populair in 'Den Haag'. Niet zonder reden, de boetes zijn fors en er komt geen rechter aan te pas dan nadat de ondernemer ertegen is opgekomen. Dat laatste lijkt ook een 'piep-systeem' in de hand te werken. Na boeteoplegging moet de ondernemer een aantal procedures doorlopen - en dus kosten maken - alvorens eens kritisch wordt gekeken naar de zaak (door een onafhankelijke rechter). Menig ondernemer zal er door worden afgeschrikt. Hoewel begrijpelijk, laat de rechtspraak zien dat dit zonde is.

Piep-systeem bij opleggen bestuurlijke boete

De boete-oplegger lijkt dus al snel een piep-systeem te hanteren. Ergens valt dit nog te begrijpen ook. Handhaving bij arbeidsongevallen is arbeidsintensief. Eerst komen tot boeteoplegging zonder al te kritisch te kijken naar informatie die tot matiging van de boete zou moeten leiden zal dan snel een reflex kunnen zijn. Sowieso zal het zonde voelen van de inspanningen om een inspectie niet te laten uitmonden in een beboeting.

De omvang van het dossier

De arbeidsintensiteit is gelegen in het feit dat zo'n dossier omvangrijk kan zijn. Veiligheidsdocumenten, RI&E's, verslagen van toolboxmeetings, instructies etc. leveren een goed pak papier op. Om nog van het inspecteren, opstellen boeterapport en beoordelen van alle stukken te zwijgen. Niet voor niets is bekend dat bij de Inspectie SZW de werkomstandigheden niet optimaal zijn, aldus de NOSnaar aanleiding van een WOB-verzoek van het CNV.

De te doorlopen procedure

Zo'n procedure, waarbij het uitgangspunt dus lijkt te zijn om voor de maximale boete te gaan, werkt wat ontmoedigend en geeft voeding aan het piep-systeem. Na de aankondiging van de boeteoplegging is veelal de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Dat kan de ondernemer zelf doen, maar de Arbo-wet, het Arbo-besluit en de Boetebeleidsregel lezen niet als een makkelijk boek. Enige juridische bijstand lijkt dan ook wenselijk in dat stadium.

Vervolgens leidt dit tot een besluit waarmee de plicht tot het betalen van een bestuurlijke boete ontstaat (al lijkt dat laatste ook voor discussie vatbaar, zo leert een recente uitspraak). Veelal, zo leert de praktijk van Ten Holter Noordam, leidt dat nog niet tot een matiging. Eerder is sprake van een herhaling van de aankondiging en in een enkel geval een reactie op de zienswijze. Dat laatste is vreemd nu het besluit een eigen analyse moet zijn van de feiten, het wettelijk kader, de eigen beleidsregel en aspecten als evenredigheid.

Wat volgt is de bezwaarfase en feitelijk is dat een herhaling van de zienswijze procedure. In een enkel geval wil de hoorzitting nog leiden tot een discussie en inzicht bij de behandelaar van het bezwaar. Maar ook in dit geval lijkt de beslissing op het bezwaarschrift niet meer dan een reactie op het bezwaarschrift. Dat lijkt normaal, maar is het niet. Ook de bezwaarfase vraagt immers om een totale en eigenstandige heroverweging.

Ziet de ondernemer het dan nog zitten dan is het tijd voor een gang naar de rechter. Tegen de beslissing op bezwaar staat immers beroep open bij de rechtbank. Door de voorgaande procedure zal hem de lust inmiddels zijn ontnomen.

Blijvend kritische rechter

Zonde want duidelijk is inmiddels wel dat - mede vanwege de hoogte van de boetes en mogelijk voornoemd piep-systeem - de rechters kritisch zijn op de boete-oplegger, ik wees daar al op in eerdere blogs.

Ook recent laat de rechtspraak dat weer zien. Zo noemde ik al de uitspraak waaruit volgt dat het betalen van de boete na het besluit tot boeteoplegging geen vanzelfsprekendheid is. Dit wekt verbazing omdat dit afwijkt van het normale uitgangspunt dat bezwaar de werking van een besluit niet schorst (en je dus bij beboeting de boete gewoon moet betalen).

Een ander voorbeeld is een specifieke uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, waar advocaten van Ten Holter Noordam bij betrokken zijn geweest.

Deze uitspraak laat immers zien dat veel verwacht mag worden van de besluitvorming van de minister bij een beboeting vanwege een arbeidsongeval. Zo wordt de minister verweten dat hij zijn eigen beleid zo toepast dat onverkort tot de hoogste boete wordt gekomen. Dat is vreemd nu het ongeval geen blijvende medische beperkingen met zich bracht en de behandeling niet ingrijpend was.

Ook de matigingsgronden die zijn opgenomen in het eigen beleid moet de minister duidelijk toepassen. In dit geval had bezwaar al geleid tot een matiging van 50% (de moeite, bij een boete van EUR 36.000,-) maar waarom de minister niet tot ook de andere 50% matiging kwam werd niet duidelijk.

De rechtbank doet het werk van de minister dan over. Resultaat: de werkgever heeft alles gedaan wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht. Resultaat is dus een 100% matiging.

Lerende overheid?

Conclusie van dit alles is dat degene die beboet is natuurlijk een dossier moet hebben waaruit blijkt dat hij alles heeft gedaan wat van hem mag worden verwacht. Is daarvan (gedeeltelijk) sprake, dan is een procedure zeker de moeite waard. Nu maar hopen dat de minister een dergelijke uitspraak ter harte neemt en doorvoert in de besluitvorming. Dat voorkomt de nodige procedures en maakt tegelijkertijd capaciteit vrij voor de echte misstanden.

Werk voor de wetgever?

Misschien nog een idee voor de wetgever; sluit de weg van het bezwaar en biedt degene die beboet is een directe weg naar de rechter. Hoewel een dergelijk rechtstreeks beroep nu ook mogelijk is, behoeft dat instemming van degene die de boete oplegt. Die lijkt daar, zo leert de praktijk, minder toe bereid.