null

Bestuurlijke boetes; kritische rechter wat betreft bewijs?!

Ondernemingen kunnen zogeheten bestuurlijke boetes opgelegd krijgen bij overtredingen op het gebied van bijvoorbeeld arbeidsomstandigheden of de tewerkstelling van vreemdelingen. Op deze site is al de nodige aandacht besteed aan de kritiek van de rechter over de hoogte van boetes.Vorige week verscheen een persbericht van de Raad van State. De staatsraad advocaat-generaal Keus is gevraagd om zijn mening te geven over het leveren van bewijs. Concrete aanleiding is een zaak over een boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. De conclusie zal breder ingaan op de vraag hoe moet worden omgegaan met het verzamelen van bewijs.

Aanleiding

Met de mogelijkheid om bestuurlijke boete op te leggen door bijvoorbeeld de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen overheden handhavend optreden. Met de introductie van die mogelijkheid is de mogelijkheid van bestraffing via boetes dus ook bij bestuursorganen komen te liggen. Dit leidt ertoe dat, anders dan bij het strafrecht, de boete eerst wordt opgelegd en pas nadien een rechter eventueel beoordeelt of dat rechtmatig is. Dat brengt de nodige spanningen met zich. Onder meer dus op het vlak van de hoogte van de boetes, maar ook wat betreft de wijze waarop bewijs wordt vergaard en gebruikt. Dat spanningsveld wordt versterkt nu het bestuursrecht - het gebied waarbinnen de boete wordt opgelegd door overheden - uitgaat van een medewerkingsplicht van degene die onder toezicht staat. Het strafrecht gaat (simpel gesteld) uit van een zwijgrecht en de mogelijkheid om niet mee te werken aan de eigen veroordeling.

Concreet geval als voorbeeld

Aanleiding voor de vraag van de Raad van State is een kwestie waarbij de Minister een boete heeft opgelegd aan een bedrijf uit Roemenië. Het bedrijf heeft Roemeense vreemdelingen ingezet bij de bouw van twee schepen. Werkvergunningen - vereist voor dergelijke werknemers - waren niet verleend. In de kwestie komt onder meer de vraag op hoe met het verzamelde bewijs moet worden omgegaan. Volgens het bedrijf heeft de Inspectie SZW onzorgvuldig onderzoek gedaan, zodat bepaalde bewijsmiddelen buiten beschouwing zouden moeten blijven. Als gevolg daarvan zou er volgens het bedrijf onvoldoende bewijs voor de overtredingen overblijven.

Verzoek aan staatsraad advocaat-generaal

Dit is vaker onderwerp van discussie, reden voor de Raad van State om de staatsraad advocaat-generaal te vragen te onderzoeken welke waarborgen in acht moeten worden genomen bij het vergaren van bewijs in boetezaken. Concreet voor de praktijk is daarbij zeer relevant dat de advocaat-generaal zal ingaan op de waarborgen die zouden moeten gelden bij het afleggen van verklaringen bij de toezichthouder, en hoe moet worden omgegaan met verklaringen die pas later in de procedure worden overgelegd door degene die is beboet. Ook zal de conclusie de "toelaatbaarheid van en grenzen aan bewijsvergaring" in een later stadium van de procedure door het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd moeten beschrijven.

Planning

De zitting in deze procedure staat gepland op 16 februari 2017. Daarna zal de conclusie worden toegezonden aan de partijen die bij deze procedure zijn betrokken. Zij krijgen de mogelijkheid om hierop te reageren. Hierna zal een zogenoemde grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak doen in deze zaak. Dat zal vermoedelijk ergens voor de zomer van 2017 het geval zijn.