Netcongestie – krapte / tekorten op het stroomnet – lijkt een zeer hardnekkig probleem te worden. Een probleem waar allerlei soorten nieuwe initiatieven in Nederland mee te maken kunnen krijgen én houden.
Bij het vergeven van capaciteit op het stroomnet mogen netbeheerders niet discrimineren. Daarom hanteren zij al jaren het ‘first come, first served’-principe (‘FCFS-principe’), wat neerkomt op ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’.
Door de als maar toenemende transportschaarste namen (en nemen) de wachtrijen om op het net te kunnen steeds verder toe. Een strikte toepassing van het FCFS-principe zorgt er echter voor dat verzoeken met grote algemene publieke en/of maatschappelijke belangen minder snel gerealiseerd konden worden. In 2024 heeft de Autoriteit Consument & Markt (‘ACM’, toezichthouder op de elektriciteitsmarkt) daarom regelgeving vastgesteld die ervoor zorgt dat netbeheerders in bepaalde omstandigheden én op aanvraag mogen afwijken van het FCFS-principe. Partijen die een transportcapaciteit hebben aangevraagd kunnen namelijk om prioritering van hun aanvraag verzoeken. De ACM heeft daarbij drie categorieën van voorrang uitgewerkt, te weten congestieverzachters (hoogste prioriteit), projecten die essentieel zijn voor de nationale veiligheid (op één na hoogste prioriteit) en projecten die voorzien in maatschappelijke basisbehoeften (de op twee na hoogste prioriteit). Als prioriteit wordt toegekend, dan mogen netbeheerders die aanvraag met voorrang behandelen en – indien beschikbaar – transportvermogen toekennen, zonder dat dit wordt gezien als een schending van het discriminatieverbod.
Tot nu toe was prioritering vooral van belang voor grootverbruikers: aansluitingen met een transportvermogen groter dan 3x80A. Netcongestie heeft – in veel gebieden – namelijk alleen gevolgen voor grootverbruiksaanvragen, omdat netbeheerders restcapaciteit gereserveerd houden om kleinverbruiksaanvragen wel direct (althans, zonder wachttijd) in behandeling te kunnen nemen.
Het prioriteringskader is inmiddels herzien. De toelichting bij deze herziening zorgt voor aantal belangrijke veranderingen in de wijze waarop netbeheerders met nieuwe aanvragen omgaan. Die wijzigingen zetten wij in deze blog kort op een rij.
Wijzigingen vanaf 1 juli 2026
De belangrijkste wijziging wordt al snel doorgevoerd: vanaf 1 juli 2026 mogen netbeheerders geen restcapaciteit meer reserveren voor kleinverbruikers. Ook zijn zij verplicht met één integrale wachtrij te werken, waarin zowel klein- als grootverbruiksaanvragen geplaatst zullen worden. De gereserveerde restcapaciteit zal eerst vastgesteld moeten worden en vervolgens gelijk aan vrijgegeven worden, eerst op basis van prioritering en vervolgens op basis van het FCFS-principe.
Netcongestie zal vanaf 1 juli 2026 dus ook gevolgen gaan hebben voor kleinverbruikers. Gevolg is dat deze aanvragen – kleiner of gelijk aan 3x80A – niet meer zonder wachttijd in behandeling genomen zullen worden. Woningen en kleine bedrijven zijn veelal voorzien van een kleinverbruiksaansluiting. Initiatieven voor de bouw van nieuwe woningen en kleine bedrijfsgebouwen kunnen vertraging oplopen, doordat niet langer zeker is dat zij op het stroomnet aangesloten kunnen worden. Ook verzwaring van kleinverbruiksaansluitingen kan vertraging oplopen. Denk bijvoorbeeld aan het verzwaren van een 3x25A-aansluiting naar 3x35A, om bijvoorbeeld een warmtepomp of laadpaal met hoge laadsnelheid te kunnen installeren.
Voor dit soort initiatieven kan, mits voldaan wordt aan het prioriteringskader van de ACM, prioriteit door de aanvrager worden aangevraagd. Het aanvragen van prioriteit is pas mogelijk als ook de aanvraag voor de aansluiting en/of het transportvermogen zelf is ingediend. Het aanvragen van een aansluiting en/of transportcapaciteit is op dit moment mogelijk als een omgevingsvergunning is verleend en – in de meeste gevallen – een huisnummerbesluit is genomen.
Wijzigingen vanaf 1 oktober 2026
Vanaf 1 oktober 2026 wordt het voor gemeenten mogelijk om prioritering voor woningbouw en schoolgebouwen aan te vragen, voor plannen waarvoor aannemelijk gemaakt kan worden dat die in de komende tien jaar worden gerealiseerd. Gemeenten kunnen daarbij vooruit lopen op de aanvraag van een omgevingsvergunning en huisnummerbesluit.
Het aannemelijk maken van de realisatie een woningbouwplan gebeurt op basis van een overeenkomst voor een woningbouwproject (met marktpartijen) of – als die niet gesloten is – het omgevingsplan, of – als sprake een woningcorporatie initiatiefnemer is – prestatieafspraken.
De realisatie van een schoolgebouw kan aannemelijk gemaakt worden met een integraal huisvestingsplan of – als die niet voor handen is – het omgevingsplan.
Gemeenten bepalen zelf aan welke plannen zij prioriteit wensen te geven. Wij raden aan om beleidsregels op te stellen waarin uitgeschreven wordt wanneer aan welke plannen prioriteit wordt gegeven, zodat objectief vastgesteld kan worden of een plan voor een prioriteringsaanvraag door een gemeente in aanmerking kan komen. Naar verwachting zal afstemming tussen gemeenten ook noodzakelijk zijn, omdat congestiegebieden én initiatieven soms gemeentegrensoverstijgend zijn. Gemeenten zullen in die gevallen onderling moeten bepalen aan welke initiatieven zij gezamenlijk voorrang wensen te geven.
Wij verwachten dat gemeenten (een) prioriteringslijst(en) zullen gaan opstellen met projecten waarvoor zij vervroegde prioriteit wensen aan te vragen. In aanloop naar 1 oktober 2026 zal daarover meer duidelijk worden.
Wijzigingen vanaf 1 januari 2027
De vastgestelde restcapaciteit zal in de loop van 2026 langzaamaan worden aangeboden aan aanvragers met prioriteit. Voor zover netbeheerders op 1 januari 2027 nog over restcapaciteit op het stroomnet beschikken, zullen zij die aan initiatieven die niet voor prioriteit in aanmerking komen gaan aanbieden. Restcapaciteit zal alleen voor noodsituaties achter de hand gehouden worden.
Onze verwachting is dat het stroomnet in 2027 tegen zijn grenzen zal aanlopen en alle aanvragen in de wachtrij zullen belanden, in afwachting van het vrijkomen van capaciteit én – uiteraard – verdere uitbreiding van het stroomnet. De wereldwijde onrust – wij noemen de oorlogen in Oekraïne en Iran – maar ook de gevolgen van klimaatverandering, zorgen voor steeds hogere energieprijzen en – dus – een steeds groter wordende vraag naar duurzame alternatieven. Steeds meer partijen willen hun vastgoed verduurzamen en kiezen voor all-electric oplossingen. De druk op het stroomnet zal in ieder geval niet minder worden.
Op 1 januari 2027 zullen bovendien meer regels in werking treden die in potentie nóg meer druk op het al krappe stroomnet zullen gaan zetten. Wij noemen de pseudo-eindheffing: werkgevers moeten 12% loonbelasting over de cataloguswaarde van nieuwe brandstofauto’s gaan betalen die hun werknemers zakelijk leasen, óók als werknemers hun leaseauto voor woon-werkverkeer en werkverkeer gebruiken en dus zelf geen bijtelling betalen. Naar verwachting zullen veel werkgevers hun werknemers daarom tot het leasen van een volledig elektrische (of waterstofaangedreven) auto verplichten. De pseudo-eindheffing geldt niet voor auto’s die alleen voor werkverkeer worden gebruikt – waarbij de werknemer eigen vervoer voor woon-werkverkeer gebruikt, voor zzp’ers met een eenmanszaak en – ten slotte – ook voor volledig uitstootvrije auto’s. Voor auto’s die voor 2027 zijn geleased, geldt tot en met 2030 een overgangsregeling. Door de elektrificatie van het zakelijke wagenpark zal de vraag naar laadoplossingen – voor bedrijven én voor woningen – vanzelfsprekend ook toenemen. En daarvoor zijn mogelijk weer zwaardere aansluitingen voor nodig, die ook zullen bijdragen aan nog grotere druk op het stroomnet.
Conclusie
De krapte op het stroomnet is – helaas – een probleem waar Nederland voorlopig last van zal houden. De wetgever en de ACM zijn druk bezig met het zo eerlijk mogelijk verdelen van de beperkte capaciteit. Wij verwachten dat de komende tijd meer regelgeving zal wijzigen. Daarover houden wij je graag op de hoogte. Vragen over deze blog? Wij staan je graag te woord.
In afwachting van de ontwikkelingen in de wetgeving en uitbereiding van het stroomnet kan het lonen op zoek te gaan naar alternatieve wijzen voor het verkrijgen van de gewenste capaciteit. Hoe? Daarover vertellen wij je graag spoedig meer.
Specifieke vragen over de pseudo-eindheffing? Neem dan contact op met onze collega arbeidsrecht Minke Holdtgrefe.