null

Beslissen op bezwaarschriften; termijnen in coronatijd

In een eerder blog werd ingegaan op de beslistermijnen bij een aanvraag (voor een vergunning bijvoorbeeld) in corona-tijd. Dezelfde thematiek speelt bij het afhandelen van bezwaarschriften. Welke mogelijkheden biedt de Algemene wet bestuursrecht om – vanwege het coronavirus en de daarbij behorende maatregelen – soms wat meer tijd te nemen?

Algemeen uitgangspunt

Afhankelijk van het hebben van een bezwaarschriftencommissie geldt in beginsel een termijn van 6 weken (geen bezwaarschriftencommissie) of 12 weken (wel een bezwaarschriftencommissie). Die termijn begint na het verstrijken van de bezwaartermijn (dus 6 weken na het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt). In artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht is een aantal omstandigheden opgesomd waarin de termijn opgeschort, verdaagd en/of uitgesteld wordt.

Aspecten die de normale termijnen verlengen zijn bijvoorbeeld de opschorting omdat slechts is volstaan met een pro forma bezwaarschrift. Verder kent de wet de mogelijkheid voor het bestuursorgaan om de beslistermijn eenzijdig en eenmalig met maximaal 6 weken verdagen. Een motivering voor het verdagen is niet nodig. Wel is vereist dat de verdaging aan de bezwaarmaker wordt medegedeeld voor het verstrijken van de initiële beslistermijn.

Belangrijker voor nu is dat de beslistermijn ook kan worden uitgesteld. De redenen zijn door de wet genoemd. Dit kan alleen wanneer (i) alle belanghebbenden daarmee instemmen, (ii) de bezwaarmaker daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen geraakt worden of (iii) ter naleving van wettelijke procedurevoorschriften. Ook hier geldt dat uitstel alleen aan de orde is als dat  voor het verstrijken van de initiële beslistermijn gebeurt.

Bij instemming is uitdrukkelijk instemming vereist, die trouwens ook weer ingetrokken kan worden! Voor wettelijke procedurevoorschriften wordt in de parlementaire geschiedenis vooral gewezen op artikel 7:9 van de Awb. Dat artikel heeft betrekking op het mededelen van nieuwe, voor de zaak relevante feiten of omstandigheden die na de hoorzitting bekend zijn geworden aan belanghebbenden. Daarbij dient hen de mogelijkheid van een tweede hoorzitting geboden te worden. Ook hiervoor geldt dat het uitstel aan de bezwaarmaker moeten worden medegedeeld voor het verstrijken van de initiële beslistermijn.

Corona-tijd dus opschorting, verdaging of uitstel?

Maar wat is er mogelijk als opschorting en verdaging niet meer mogelijk zijn en de bezwaarmaker niet instemt met uitstel, dan wel de belangen van de overige belanghebbenden zich tegen uitstel verzetten?Een overmachtsbepaling zoals voor de beslistermijn voor aanvragen (zie het vorige blog) lijkt namelijk op grond van de Awb niet aanwezig voor bezwaar, maar is dat wel.

Artikel 7:14 van de Awb verklaart namelijk een groot aantal bepalingen niet van toepassing in bezwaar om vervolgens enkele bepalingen daarvan (volgt u het nog?) uit te zonderen. De in het eerdere blog genoemde overmachtsbepaling is zo'n bepaling, zodat de overmachtsbepaling van toepassing is in bezwaar.

Zoals daarin terecht werd opgemerkt, is het maar zeer de vraag of een beroep op de overmachtclausule zal slagen. Dat wordt bevestigd door de vele blogs die verschijnen over beslistermijnen met eenzelfde vraag. Uiteindelijk zal de bestuursrechter die vraag moeten beantwoorden.

Vooruitlopend daarop en anticiperend op het ontbreken van overmacht, betekent dat dat van bestuursorganen verwacht mag en kan worden dat zij tijdig beslissen op ingediende bezwaarschriften. Wanneer zij dat niet doen is het mogelijk een ingebrekestelling te versturen, waarmee een termijn van twee weken geboden wordt alsnog een beslissing op bezwaar te nemen. Wanneer dat niet gebeurt wordt een dwangsom van maximaal EUR 1.442,00 verbeurd en/of kan een beroep niet tijdig ingesteld worden.

Geen overmacht, andere oplossingen?

Eenzijdig uitstel wegens overmacht is dus mogelijk niet aan de orde. Wel mogelijk is te zoeken naar de bereidheid van de bezwaarmaker om in te stemmen met uitstel. Let op, doe dat voor het verstrijken van de initiële beslistermijn!

Biedt dat geen soelaas, dan moet het bestuursorgaan het vooral hebben van goed ingerichte processen, ondanks thuiswerkperikelen. Daarbij kan gedacht worden aan telefonisch horen en het ‘oplijnen’ van daartoe bevoegde ambtenaren voor ondertekening.

Let hierbij op dat telefonisch horen wel instemming vereist van belanghebbende. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Daarnaast volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling dat in geval van een bezwaarschriftencommissie en een gebrek aan de vereiste technische hulpmiddelen niet telefonisch gehoord hoeft te worden. Dat hoeft wat mij betreft met voorzieningen als Microsoft Teams niet in de weg aan telefonisch horen.

Wanneer een belanghebbende niet instemt met telefonisch horen, resteert niets anders dan de ingebrekestelling afwachten en dan zonder horen beslissen. Wanneer daar dan beroep tegen ingesteld wordt, wordt in beginsel het gebrek gepasseerd. Over een proceskostenvergoeding kan dan mijns inziens nog gedebatteerd worden, waarbij het niet willen instemmen met een telefonische hoorzitting redelijkerwijs voor rekening en risico van de bezwaarmaker zou kunnen zijn.