null

Reparatie van schade door een gewijzigde pensioenregeling

Tot de jaren 90 hebben veel ondernemingen een eindloonpensioen toegezegd aan hun werknemers. Werkgevers hebben, al dan niet gestuurd door hun pensioenverzekeraars en/of pensioenadviseurs, regelmatig wijzigingen in pensioenovereenkomsten aangebracht, zonder dat werknemers daarmee welbewust hebben ingestemd.

Gewijzigde eindloonrekeningen

Vanwege een aantal al of niet legitieme fiscale, economische of praktische redenen zijn in de periode tussen ruwweg 1990 en 2010 eindloonregelingen gewijzigd naar met name de voor werknemers minder gunstige beschikbare premieregeling. De voorlichting bij deze omzetting, alsmede bij later aangebrachte wijzigingen, voldoet bijna per definitie niet aan de voorwaarde van de noodzakelijke ‘welbewuste’ instemming van de deelnemer.

Oorzaak hiervan zijn onvolledige berekeningen en te opportunistisch gegeven verwachtingen. De gevolgen daarvan waren aan de werknemers onvoldoende bekend. De werknemers dienen en kunnen alsnog gecompenseerd te worden.

Pensioenfondsen

Bij de pensioenfondsen is het doorvoeren van wijzigingen vanuit een arbeidsrechtelijk perspectief doorgaans goed geregeld. Hier geschiedt dit op basis van cao-afspraken. Alle pensioenfondsregelingen zijn in de voornoemde periode omgezet van eindloonregelingen naar geïndexeerde middelloonregelingen. Dat is een vanuit een werknemersperspectief gezien goed alternatief voor een eindloonregeling. Werknemers, die deelnamen in een pensioenfonds hebben dan ook geen schadeclaim.

Verzekerde regelingen

Bij verzekerde pensioenregelingen is 50% van de eindloonregelingen omgezet naar beschikbare premieregelingen. Daar is het doorgaans misgegaan met de welbewuste instemming en hebben werknemers schade geleden die gerepareerd kan worden. Overigens zijn relatief weinig grote ondernemingen met een verzekerde pensioenregeling overgegaan naar beschikbare premieregelingen, terwijl juist kleine ondernemingen dat wel gedaan hebben.

Risicoverdeling

Bij een pensioenregeling zijn de volgende risico’s te onderscheiden:

  • Het beleggingsrisico (welk rendement wordt gehaald met de ingelegde premies?);
  • Het langlevenrisico (is de door de jaren heen ingelegde premie voldoende om een langere uitkering te financieren? De gemiddelde levensverwachting wordt immers steeds hoger);
  • Het renterisico (tegen welke rekenrente kan met het door de ingelegde premie gespaarde kapitaal een levenslange uitkering worden gekregen?);
  • Het risico van salarisstijging (hoe verhoudt het uiteindelijke pensioen zich tot het laatstgenoten loon?).

Het grootste probleem is de rentestand. Om te berekenen hoeveel pensioen er met de spaarpot van een deelnemer aangekocht kan worden om maandelijks gedurende de rest van zijn leven hetzelfde bedrag uit te kunnen keren, moet gerekend worden met de rekenrente. Verzekeraars en pensioenfondsen zijn op grond van het in de Pensioenwet verankerde Financieel Toetsingskader (FTK) wettelijk verplicht om met de actuele risicovrije rente te rekenen. Tot de invoering van het FTK gold een vaste rekenrente van 3% of 4%. De actuele risicovrije rente is door onze regering gesteld op de handelsrente. De handelsrente is op dit moment historisch laag, beneden de 1%

Ter illustratie: in 2008 was het op basis van de toenmalige rentestand nog mogelijk om met een kapitaal van ongeveer EUR 12.000,00 een levenslang pensioen van EUR 1.000,00 per jaar aan te kopen. Voor diezelfde EUR 1.000,00 per jaar is in 2019 EUR 25.000,00 nodig. Dit effect van de rentestand had ook indertijd als risico moeten zijn onderkend en voorgerekend.

De eerste drie risico’s liggen bij uitkeringsregelingen (eindloonregeling en (geïndexeerde) middelloonregelingen) geheel bij de pensioenverzekeraar. Dit risico wordt door verzekeraars met toeslagen op de premie (deels) afgewend op de werkgever.

Bij een beschikbare premieregeling liggen deze genoemde risico’s geheel bij de werknemer. Het effect van deze risico’s op de hoogte van het pensioen is bij de omzettingen nauwelijks belicht. Ze werden gebagatelliseerd en er zijn geen berekeningen van gemaakt. Welbewuste instemming door de werknemer was daardoor meestal zelfs feitelijk niet mogelijk.

Procesfinanciering

Voor werkgevers is een claim van werknemers een zeer groot risico. De schadevergoedingsbedragen zullen aanzienlijk zijn (EUR 500,00 gederfd pensioen per maand kost EUR 150.000,00). Vaak zullen meerdere werknemers dezelfde claim hebben. Afhankelijk van de grootte van de onderneming kan de incasso van één of meerdere claims zelfs een faillissement tot gevolg hebben.

Adviseurs en/of verzekeraars hebben bij de totstandkoming van de wijzigingen in de regelingen bijna per definitie een belangrijke rol gespeeld. Zij kunnen door de werknemer naast de werkgever op grond van onrechtmatige daad worden aangesproken en kunnen door de werkgever in vrijwaring worden opgeroepen. Verzekeraars bieden in ieder geval verhaal, maar hebben wel diepe zakken. Naar verwachting zullen zij zich tot aan de Hoge Raad verzetten tegen mogelijke veroordelingen

Aangezien door de overgang van hun pensioenregeling benadeelde werknemers doorgaans al te weinig pensioen ontvangen, hebben zij ook geen of beperkte middelen om betrokken partijen aan te spreken. Een oplossing daarvoor is procesfinanciering.

De procesfinancier neemt de behandeling van de schadevordering aan op no cure, no pay basis. De procesfinancier betaalt alle kosten, zoals de actuaris voor de berekeningen, de advocaat, een eventuele pensioendeskundige en de gerechtskosten. Hij berekent daarvoor een aandeel in de opbrengst van zo’n 30%, maar helemaal niets als de vordering niet slaagt of niet verhaalbaar blijkt te zijn, zie www.claimuwpensioenverlies.nl.

Wellicht iets voor u als uw pensioenregeling een verzekerde regeling is en gewijzigd is rond 2000.