De Hoge Raad heeft op 28 november jl. prejudiciële vragen beantwoord over de beoordeling van een ontruimingsvordering wanneer daarbij ook kinderen zijn betrokken. In dit arrest verduidelijkt de Hoge Raad dat op grond van artikel 3 IVRK de belangen van het kind moeten worden meegewogen bij de vraag of de ontbinding van een huurovereenkomst en de daaropvolgende ontruiming gerechtvaardigd is. De rechter moet deze belangen zo nodig ambtshalve betrekken bij zijn beoordeling.
Artikel 3 lid 1 IVRK bepaalt dat bij alle maatregelen die kinderen raken, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Een ontruiming is zo’n maatregel. Kinderen worden door een ontruiming rechtstreeks getroffen en daarmee komt hun recht op huisvesting in het geding (artikel 27 lid 3 IVRK). Uiteraard kunnen in meer rechtsgebieden de belangen van kinderen aan de orde zijn, zoals bij een sluiting door de burgemeester op grond van artikel 174a Gemeentewet (de Wet Victoria). Met deze blog richt ik mij op het onderwerp van de uitspraak van de Hoge Raad.
Als hoofdregel geldt dat een huurovereenkomst alleen kan worden ontbonden als sprake is van een tekortkoming van voldoende gewicht. Bij de beoordeling of ontbinding gerechtvaardigd is, moeten alle relevante omstandigheden worden meegewogen.
Af te wegen belangen bij ontbinding en ontruiming
Een belangrijke omstandigheid is of er kinderen in de te ontruimen woning wonen. Is dat het geval, dan moeten de belangen van deze kinderen in kaart worden gebracht. Tot die belangen behoren het recht op huisvesting (artikel 27 lid 3 IVRK) en het recht om niet van hun ouders te worden gescheiden, tenzij een dergelijke scheiding juist in het belang van het kind is (artikel 9 lid 1 IVRK). Daarom moet in de belangenafweging ook worden meegewogen of alternatieve huisvesting beschikbaar is. Hoewel de belangen van het kind zwaar wegen, zijn zij niet automatisch doorslaggevend. Zij moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.
Het voorkomen van dakloosheid of het uit elkaar halen van ouder en kind is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de ouders en de overheid, en niet van de verhuurder. Daarbij moet de verhuurder onder omstandigheden ook rekening houden met de belangen van derden, zoals omwonenden. Wel kan het volgens de Hoge Raad een relevante omstandigheid zijn als de verhuurder meerdere woningen verhuurt en woningen beschikbaar heeft, bijvoorbeeld wanneer het gaat om een woningcorporatie.
Ook de mate waarin de huurder de tekortkoming kan worden verweten, speelt een rol bij de beoordeling of ontbinding gerechtvaardigd is. Deze verwijtbaarheid doet echter niets af aan het gewicht van de belangen van het kind.
Hoe zwaar de belangen van de verhuurder wegen, hangt onder meer af van de ernst van de tekortkoming en van het belang van omwonenden bij een leefbare en veilige woonomgeving. Ook herhaald of langdurig tekortschieten van de huurder kan het belang van de verhuurder bij ontruiming vergroten.
Onderzoeksplicht van de rechter
Het is aan de huurder om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is. Daartoe behoort ook de omstandigheid dat een ontruiming gevolgen heeft voor een kind.
De rechter moet zo nodig ambtshalve onderzoeken of de ontruiming ook kinderen treft. In verstekzaken is de rechter daarbij aangewezen op de informatie die de verhuurder heeft verstrekt. Als de verhuurder deze informatie niet heeft en ook niet kan verkrijgen na redelijke inspanning, vormt dat op zichzelf geen reden om de ontruiming af te wijzen.
Staat vast dat de ontruiming ook kinderen betreft, dan moet de rechter de verhuurder vragen naar de mogelijkheden voor alternatieve huisvesting. Daarbij mag volgens de Hoge Raad van een woningcorporatie meer worden verlangd dan van een particuliere verhuurder. De Hoge Raad gaat daarbij niet in op de vraag waarom van de woningcorporatie meer mag worden verwacht dan van een particuliere verhuurder.
Procureur-Generaal Van Peursem is er in zijn Conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:728) wel nader op ingegaan. Hij merkt op dat artikel 3 lid 1 IVRK zich niet uitsluitend richt tot publieke instellingen, maar uitdrukkelijk ook tot “private social welfare institutions”. Hij acht daarom verdedigbaar dat woningcorporaties als toegelaten instellingen in de zin van artikel 19 Woningwet zijn aan te merken als “private social welfare institutions”. Hij verwijst daarbij naar de toelichting op het artikel waaruit volgt dat dit begrip ruim moet worden uitgelegd. Als deze lijn wordt gevolgd dan zijn ook woningcorporaties zodoende normadressaat in artikel 3 lid 1 IVRK. Omdat de Hoge Raad hier in zijn arrest niet uitdrukkelijk op is ingegaan, bestaat hierover op dit moment nog onduidelijkheid.
De Hoge Raad overweegt verder dat artikel 3 IVRK en het nationale recht verplichten de rechter niet om buiten de mondelinge behandeling om contact op te nemen met instanties die geen partij zijn in de procedure, zoals de gemeente, kinderbeschermingsinstanties of andere hulpverleners. Wel kan de rechter bijvoorbeeld besluiten een deskundigenbericht te laten opstellen.
De rechter kan daarnaast maatregelen nemen om de gevolgen van de ontruiming te verzachten. Zo kan hij een langere ontruimingstermijn bepalen of zijn beslissing tijdelijk aanhouden om ouders en kinderen de gelegenheid te geven alternatieve huisvesting te vinden. In bijzondere gevallen kan de rechter aan een ontruimingsveroordeling de voorwaarde verbinden dat er adequate opvang is geregeld voor de getroffen kinderen. Dit neemt niet weg dat het zorgen voor alternatieve huisvesting of opvang in beginsel niet tot de verantwoordelijkheid van de verhuurder behoort. Bij zijn beslissing moet de rechter steeds ook het belang van de verhuurder en de urgentie van de ontruiming meewegen.
Conclusie
Op grond van artikel 3 IVRK moeten de belangen van het kind worden meegewogen bij (onder meer) de vraag of de ontbinding van een huurovereenkomst en de daaropvolgende ontruiming gerechtvaardigd zijn. De rechter moet deze belangen zo nodig ambtshalve betrekken bij zijn beoordeling.
Voor woningcorporaties is relevant dat de Hoge Raad heeft overwogen dat van woningcorporaties meer mag worden verwacht als het gaat om informatieverstrekking over alternatieve huisvesting. Het is daarom aan te bevelen in de procedure toe te lichten of er mogelijkheden zijn voor alternatieve huisvesting. Daarnaast is het goed om ook voorafgaand aan de ontruiming te onderzoeken of het gezin mogelijk in een andere woning kan worden gehuisvest en als dat niet mogelijk, althans niet wenselijk, is dit in de processtukken toe te lichten. De Hoge Raad neemt namelijk de vraag of de verhuurder, dus ook de woningcorporatie, meerdere woningen ter beschikking heeft, mee als omstandigheid in de belangenafweging bij ontruiming.
Heeft u vragen naar aanleiding van deze blog? Neem dan contact op met Jetske Huber.