Ga naar de inhoud

Hoe neem je provisie correct mee in de berekening van de transitievergoeding? Het is een veelbesproken kwestie die in de praktijk voor de nodige onduidelijkheid heeft gezorgd. Tot nu toe ontbrak een uitdrukkelijk oordeel van de hoogste bestuursrechter op het gebied van het socialezekerheidsrecht, maar daar brengt de Centrale Raad van Beroep (CRvB) met een recente uitspraak verandering in. De CRvB spreekt zich op 9 juli 2025 duidelijk uit over deze kwestie en brengt daarbij helderheid in de discussie over de rol van provisie bij de berekening van transitievergoeding in het kader van aanvragen van compensatie (ECLI:NL:CRVB:2025:1033).

Berekening van de transitievergoeding bij provisie

Als basisregel geldt dat de transitievergoeding een derde van het bruto maandsalaris per gewerkt dienstjaar bedraagt en een evenredig deel daarvan voor een periode dat het dienstverband korter dan een jaar heeft geduurd (art. 7:673 lid 2 BW).

In het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (hierna: het Besluit) wordt nader bepaald wat onder ‘loon’ wordt verstaan. Uit artikel 2, derde lid, van het Besluit volgt dat indien het loon geheel of gedeeltelijk bestaat uit provisie of afhankelijk is van de uitkomsten van verrichte arbeid, onder loon tevens wordt verstaan: het brutoloon verschuldigd in de twaalf maanden voorafgaand aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, voor zover dit bestond uit provisie of afhankelijk was van de uitkomsten van de verrichte arbeid, gedeeld door twaalf.

Voor het antwoord op de vraag welk bedrag aan provisie moet worden meegenomen bij de berekening van de transitievergoeding moet dus gekeken worden naar het gemiddelde maandelijkse bedrag aan provisie dat de werkgever verschuldigd was in de twaalf maanden voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst (de referteperiode).

Gaat het om de provisie die is betaald ‘in’ of ‘over’ de referteperiode?

In deze zaak ging het om een aanvraag van compensatie van de transitievergoeding bij het UWV in verband met bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering per 1 oktober 2021. De betreffende werknemer ontving een vast maandelijks brutoloon aangevuld met provisie. De provisie werd steeds na afloop van ieder kwartaal berekend en uitbetaald. Partijen zijn het erover eens dat de provisie moet worden berekend over de referteperiode, maar zij verschillen van mening over de vraag welke provisiebedragen in die periode vallen: gaat het over wat is betaald ‘in’ de referteperiode of ‘over’ de referteperiode? Het UWV stelt zich op het standpunt dat de provisie over het derde kwartaal van 2021 nog niet verschuldigd was in de referteperiode zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, en dat in plaats daarvan de in het derde kwartaal van 2020 betaalde provisie dient te worden meegenomen in de berekening van de voor compensatie in aanmerking komende transitievergoeding.

Het oordeel van de CRvB

De CRvB volgt dit standpunt niet. De CRvB oordeelt dat het bij artikel 2 van het Besluit gaat om het recht op provisie dat is ontstaan ‘over’ de referteperiode. Voor de berekening van de transitievergoeding moet dus worden gekeken naar de aanspraken op provisie die zijn ontstaan in de referteperiode. Het is daarvoor niet van belang of de hoogte daarvan (al) bepaalbaar is.

Wat betekent dit in de praktijk?

Met de uitspraak van de CRvB is duidelijk geworden dat provisies die in de referteperiode zijn ontstaan, maar na die periode worden uitbetaald, meetellen bij de berekening van de transitievergoeding.

Bij het berekenen van de transitievergoeding is het van belang goed te beoordelen welke looncomponenten moeten worden meegenomen. Zo voorkomt u achteraf discussie over de hoogte van de vergoeding en de eventuele compensatie daarvan. Onze arbeidsrechtspecialisten helpen u graag met de berekening.

Heeft u vragen naar aanleiding van deze blog? Neem gerust contact op met Lisa Kloot.

Deze blog is mede geschreven door Noa Bilogrević, student-stagiaire Arbeidsrecht.