HERO 2026 / N-006 , Ilse Harmsen, e-ISSN 2667-3568, M.A.D.Lex
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
24 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9708
Mr. Hermans, mr. Luijks en mr. Vogelzang
artikel 2:248 BW, artikel 210 Rv en artikel 106a Fw
Rechtsvraag
Levert het stelselmatig declareren van zorg die feitelijk niet is geleverd kennelijk onbehoorlijk bestuur op in de zin van artikel 2:248 BW, en kan dit – mede gelet op het causaal verband met het faillissement – leiden tot hoofdelijke aansprakelijkheid van (formeel en feitelijk) bestuurders voor het boedeltekort?
In het kort
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (publicatiedatum 17 februari 2026) staat de aansprakelijkheid van bestuurders ex artikel 2:248 BW centraal in het kader van zorgfraude. Het Zorgpunt, een thuiszorgonderneming, heeft gedurende meerdere jaren structureel meer zorg gedeclareerd dan feitelijk werd geleverd. Uit onderzoeken van de Inspectie SZW en zorgverzekeraar VGZ bleek dat de gedeclareerde omzet niet kon worden verklaard door de beschikbare personele capaciteit en dat de winstmarges uitzonderlijk hoog waren. Na een fraudeonderzoek en het uitblijven van een nieuw zorgcontract werd Het Zorgpunt failliet verklaard. De curator stelde dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement was. De bestuurders verweerden zich onder meer met een accountantsrapport, maar de rechtbank achtte dit onvoldoende om de bevindingen van de toezichthouders te weerleggen. Volgens de rechtbank geldt dat geen redelijk denkend bestuurder in de zorg meer zorg zou declareren dan is geleverd, nu dit neerkomt op fraude. De rechtbank houdt zowel het bestuur als de feitelijk beleidsbepaler hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort. Ook ziet zij geen aanleiding tot matiging van de aansprakelijkheid. De vorderingen in vrijwaring tegen een externe declaratiespecialist en de boekhouder worden afgewezen, omdat de geschonden normen niet strekken tot bescherming van de bestuurders zelf.
Tip voor de praktijk
Bestuurders in de zorg moeten actief en aantoonbaar toezicht houden op declaratieprocessen en personeelscapaciteit. Het uitbesteden van declaraties, administratie of software-inrichting ontslaat het bestuur niet van eigen verantwoordelijkheid. Daarbij zijn de volgende punten van belang:
- zorg voor structurele interne controles waarbij gedeclareerde zorg periodiek wordt gespiegeld aan daadwerkelijk geleverde uren en beschikbare capaciteit;
- leg taakverdeling en verantwoordelijkheden binnen het bestuur duidelijk vast, zeker wanneer één bestuurder feitelijk het beleid bepaalt;
- vertrouw niet blind op externe adviseurs of softwareleveranciers: signalen van uitzonderlijk hoge winsten of lage personeelskosten vragen om directe actie;
- documenteer beslissingen en controles zorgvuldig, zodat achteraf kan worden aangetoond dat het bestuur actief heeft gestuurd en ingegrepen.
Noot
1. Het Zorgpunt is een onderneming die actief is in de thuiszorg. Zij heeft één bestuurder: B.V. 1. Enig bestuurder van B.V. 1 is persoon 1. Tot 18 september 2017 was de echtgenoot van persoon 1, persoon 2, enig bestuurder van B.V. 1. Na zijn aftreden is persoon 2 binnen Het Zorgpunt actief gebleven als financieel directeur. B.V. 1, persoon 1 en persoon 2 zijn gedaagden in deze procedure en worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de bestuurders’. In de eerste jaren na oprichting verleende Het Zorgpunt ongecontracteerde zorg. Vanaf 2019 wilde zij de overstap maken naar gecontracteerde zorg. Omdat VGZ de grootste opdrachtgever van Het Zorgpunt was, streefde Het Zorgpunt naar contractering met VGZ. VGZ stelde als voorwaarde voor het aangaan van een overeenkomst dat Het Zorgpunt zou overstappen op een ander softwareprogramma voor de zorgplanning en het declaratieproces. Het Zorgpunt heeft deze overstap gemaakt en persoon 3 ingeschakeld, die de werkzaamheden met betrekking tot deze software voor haar verrichtte. Op 12 december 2018 hebben Het Zorgpunt en VGZ een overeenkomst gesloten voor de levering van zorg door Het Zorgpunt aan de verzekerden van VGZ in 2019.
2. In de loop van 2018 is, naar aanleiding van een anonieme melding over PGB-fraude (persoonsgebonden budget), door de Inspectie SZW onder gezag van het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk opsporingsonderzoek gestart naar Het Zorgpunt, persoon 1 en persoon 2. In dat kader zijn door het OM diverse beslagen gelegd ten laste van de bestuurders. In augustus 2019 kondigde VGZ een materiële controle aan bij Het Zorgpunt, omdat zij meende dat Het Zorgpunt in 2017 en 2018 onverklaarbaar hoge winsten had behaald. In december 2019 startte VGZ vervolgens een fraudeonderzoek. Eén dag later liet VGZ Het Zorgpunt weten dat voor de zorgverlening in 2020 geen overeenkomst zou worden gesloten. Het onderzoek van VGZ ziet op de rechtmatigheid van de door Het Zorgpunt ingediende declaraties over de periode van 15 juni 2016 tot en met 3 maart 2020. Volgens VGZ heeft Het Zorgpunt stelselmatig zorg gedeclareerd die feitelijk niet is geleverd. Daarnaast zou zij onbevoegd personeel hebben ingezet en een onvolledige administratie hebben gevoerd. Op 3 maart 2020 is Het Zorgpunt op eigen aangifte failliet verklaard. Na het faillissement zijn zowel het strafrechtelijk onderzoek als het onderzoek van VGZ voortgezet. Naar aanleiding van het fraudeonderzoek heeft VGZ uiteindelijk een vordering van ruim EUR 1,5 miljoen ter verificatie ingediend in het faillissement.
3. In het strafrechtelijk onderzoek is inmiddels vonnis gewezen. De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 5 maart 2024 zowel persoon 1 als persoon 2 veroordeeld wegens witwassen. Daarbij verwijst de rechtbank onder meer naar het onderzoek van de Inspectie SZW, waaruit volgt dat Het Zorgpunt in 2018 en 2019 ten minste 33.795 uren aan capaciteit tekortkwam om de gedeclareerde zorg te kunnen leveren. Volgens de rechtbank heeft Het Zorgpunt daarmee een onverklaarbare omzet gerealiseerd.
4. In de onderhavige procedure stelt de curator dat de bestuurders van Het Zorgpunt aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. Volgens de curator heeft Het Zorgpunt stelselmatig meer zorg gedeclareerd dan daadwerkelijk is geleverd, zodat sprake is van zorgfraude. Zorgfraude kwalificeert als kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 BW. Daarnaast zouden de administratie-, bewaar- en deponeringsplicht zijn geschonden, hetgeen eveneens leidt tot het oordeel dat de bestuurders hun bestuurstaak onbehoorlijk hebben vervuld.
5. De curator vordert een verklaring voor recht dat de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort in het faillissement van Het Zorgpunt, een veroordeling tot betaling van dat boedeltekort en oplegging van een bestuursverbod. De bestuurders voeren verweer. Volgens hen baseert de curator zijn stelling dat sprake is van zorgfraude uitsluitend op de onderzoeken van de Inspectie SZW en VGZ, terwijl deze onderzoeken slechts op een deel van de administratie zouden zijn gebaseerd. De bestuurders hebben daarnaast een accountant opdracht gegeven een rapport op te stellen naar aanleiding van de bevindingen van VGZ. Zij verwijzen naar dit rapport, waaruit zou volgen dat wel degelijk een aansluiting kan worden gemaakt tussen de gewerkte uren en de gerealiseerde omzet. Zelfs indien sprake zou zijn van zorgfraude, kan daaruit volgens de bestuurders niet zonder meer worden geconcludeerd dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Tevens betwisten zij dat de administratie-, bewaar- en deponeringsplicht zijn geschonden. Voorts hebben de bestuurders persoon 3, die de declaraties voor Het Zorgpunt voorbereidde, en Financial Plaza, dat de boekhouding van Het Zorgpunt verzorgde, in vrijwaring opgeroepen.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De curator onderbouwt zijn stelling dat sprake is van zorgfraude met de bevindingen van de Inspectie SZW en het rapport van VGZ. Beide onderzoeken concluderen dat sprake is van een gedeclareerde omzet die niet kan worden verklaard aan de hand van de beschikbare capaciteit van Het Zorgpunt. De jaarlijkse inkoopkosten voor personeel bedragen ongeveer de helft van de omzet, hetgeen opvallend laag is gelet op het feit dat het gaat om één-op-één-zorg. Daarnaast is de winst van Het Zorgpunt opmerkelijk hoog in vergelijking met de gebruikelijke winst van een thuiszorgonderneming.
7. De rechtbank stelt vast dat de bestuurders deze bevindingen onvoldoende hebben weerlegd. Het door de accountant opgestelde rapport, waarop zij zich beroepen, biedt geen afdoende verklaring voor de gesignaleerde discrepanties. Daarmee hebben de bestuurders onvoldoende gemotiveerd betwist dat meer zorg is gedeclareerd dan daadwerkelijk is geleverd.
8. Uit vaste jurisprudentie volgt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. De rechtbank overweegt dat geen redelijk denkend bestuurder in de zorg meer zorg zou declareren dan feitelijk is geleverd, nu dit fraude oplevert. Daarmee is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
9. Ten aanzien van het causaal verband overweegt de rechtbank dat de zorgfraude een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. De bestuurders voeren aan dat het beslag door het OM en het niet aanbieden van een nieuw zorgcontract door VGZ de directe aanleiding vormden voor de faillissementsaanvraag. De rechtbank volgt de curator in diens standpunt dat deze omstandigheden onlosmakelijk samenhangen met het vermoeden van zorgfraude en dat het faillissement zonder dit handelen niet zou zijn aangevraagd.
10. De rechtbank oordeelt dat B.V. 1 als bestuurder van Het Zorgpunt op grond van artikel 2:248 lid 1 BW aansprakelijk is voor het boedeltekort. Op grond van artikel 2:11 BW rust deze aansprakelijkheid hoofdelijk op persoon 1 als bestuurder van B.V. 1.
11. Persoon 2 was tot 18 september 2017 statutair bestuurder. Aangezien VGZ ook over 2017 zorgfraude heeft vastgesteld, is persoon 2 voor deze periode aansprakelijk. Na zijn aftreden als statutair bestuurder was persoon 2 feitelijk beleidsbepaler en is hij daarom aansprakelijk op grond van artikel 2:248 lid 7 BW. Van feitelijk beleidsbepalerschap is sprake indien iemand zich (een deel van) de bestuursbevoegdheden heeft toegeëigend en het beleid heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. Vaststaat dat persoon 2 na het aantreden van persoon 1 als bestuurder fungeerde als financieel directeur van Het Zorgpunt en de door persoon 3 voorbereide declaraties accordeerde. Voor alle betrokkenen – de curator, persoon 3 en Financial Plaza – was persoon 2 het primaire aanspreekpunt. Persoon 2 heeft geen duidelijkheid verschaft over de taakverdeling binnen Het Zorgpunt en onvoldoende betwist dat hij het beleid mede heeft bepaald. De rechtbank concludeert daarom dat persoon 2, samen met B.V. 1 en persoon 1, hoofdelijk aansprakelijk is voor het boedeltekort.
12. Op grond van artikel 2:248 lid 4 BW kan de rechter het bedrag waarvoor bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit, gelet op de aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling, andere oorzaken van het faillissement en de wijze van afwikkeling, bovenmatig voorkomt.
13. De bestuurders stellen dat aanleiding bestaat tot matiging tot nihil. Zij voeren onder meer aan dat het rapport van VGZ gebreken vertoont die door de curator zijn gefaciliteerd, dat een groot deel van het boedeltekort bestaat uit de vordering van VGZ en het salaris van de curator, en dat de vennootschap niet in een slechtere positie is gekomen indien ervan wordt uitgegaan dat meer is gedeclareerd dan geleverd. De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen aanleiding tot matiging.
14. De bestuurders stellen dat persoon 3 en Financial Plaza dienen te worden veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe de bestuurders in de hoofdzaak worden veroordeeld. Volgens hen is het verweten handelen feitelijk uitgevoerd door persoon 3, terwijl de bestuurders onvoldoende kennis hadden van de gebruikte software. Achteraf zou zijn gebleken dat persoon 3 structureel fouten heeft gemaakt. Daarnaast zou Financial Plaza onjuist hebben geadviseerd over dividenduitkeringen, een jaarrekening hebben opgesteld die niet aan de regelgeving voldoet en deze te laat hebben gedeponeerd.
15. De rechtbank wijst de vorderingen in vrijwaring af. Voor zover aan persoon 3 en Financial Plaza al een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het te veel declareren van zorg, strekt de geschonden norm niet tot bescherming van de bestuurders. Zij hebben zich immers zelf niet naar die norm gedragen door meer zorg te declareren dan is geleverd.
16. De rechtbank verklaart voor recht dat de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. De omvang van het boedeltekort zal worden vastgesteld in een afzonderlijke schadestaatprocedure. De beslissing over het opleggen van bestuursverboden wordt aangehouden in verband met een nog te geven zienswijze. De vorderingen in vrijwaring worden afgewezen.
17. Deze uitspraak bevestigt dat de vaststelling dat sprake is van zorgfraude in civielrechtelijke zin – ook zonder dat daaraan een onherroepelijk vonnis ten grondslag ligt – in de praktijk vrijwel automatisch leidt tot het oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De drempel voor bestuurders om dat oordeel te weerleggen blijkt daarbij hoog. Opvallend is dat de rechtbank in sterke mate leunt op de bevindingen van toezichthouders en zorgverzekeraars, terwijl uit het vonnis niet geheel duidelijk wordt in hoeverre sprake is geweest van een objectief en zorgvuldig onderzoek waarin daadwerkelijk ruimte heeft bestaan voor hoor en wederhoor. Tegelijkertijd wordt van bestuurders verlangd dat zij met concrete en verifieerbare gegevens aantonen dat de declaraties wél rechtmatig zijn geweest, hetgeen de vraag oproept of daarmee niet een (te) zware bewijslast bij hen wordt gelegd.
18. De uitspraak onderstreept bovendien dat zowel formele als feitelijke bestuurders in de zorgsector niet kunnen volstaan met het uitbesteden van cruciale processen zoals declaratie en administratie, maar gehouden zijn tot actieve sturing en controle. Voor de praktijk volgt hieruit dat bestuurders van zorginstellingen niet alleen moeten zorgen voor een sluitende administratie, maar ook aantoonbaar grip moeten houden op de vertaalslag van zorgverlening naar declaratie. Blijft die grip achterwege, dan lopen zij – met name bij signalen van onverklaarbare marges of capaciteitstekorten – een aanzienlijk risico op persoonlijke aansprakelijkheid voor het boedeltekort, ook wanneer derden bij de uitvoering zijn betrokken.